Uw Vacumeer Expert | Gratis vacuumzakken bij elke aankoop van een vacumeermachine
Home » Kenniscentrum » Begrippenlijst vacumeren (A-Z)

Begrippenlijst vacumeren

Alle belangrijke vacuüm-begrippen uitgelegd. Klik op een letter om te springen of zoek met Ctrl+F.

← Terug naar Kenniscentrum | Bekijk alle artikelen A–Z

#, A, B, C, D, E, F, G, H, I, K, L, M, N, O, P, R, S, T, U, V, W, Z

# Symbolen & eenheden

Bar (druk) — Eenheid voor druk. Bij vacumeren bedoelen we vaak het drukverschil t.o.v. de buitenlucht. Hoe lager de druk in de zak/kamer, hoe ‘hoger’ het vacuüm.

kPa (kilopascal) — Drukeenheid die sommige fabrikanten gebruiken. Omrekenen kan; belangrijker: vergelijk machines op dezelfde eenheid en meetmethode.

mbar (millibar) — Eenheid voor (lage) druk. Fabrikanten drukken vacuüm vaak uit in mbar: hoe lager het getal, hoe beter het vacuüm.

L/min (luchtdebiet) — Liter per minuut: hoeveel lucht de pomp per minuut kan verplaatsen. Hogere waarde = sneller vacuumeren, vooral bij grotere zakken.

µm / Micron — Dikte-aanduiding van folie/zakken. Meer micron betekent meestal steviger en beter bestand tegen scheuren en puntige producten.

A

Accessoiremodus — Stand waarmee je via een slang vacuüm trekt in containers, wijnstoppers of speciale afsluiters.

Adapter (container/wijnstopper) — Koppeling tussen machine en accessoire zodat je via de slang vacuüm kunt trekken.

Afkoeltijd (cooldown) — Tijd die een machine nodig heeft om af te koelen tussen cycli, vooral relevant bij dunne huishoudmachines.

Aanzuigkanaal — Kanaal in (buiten) vacuümmachines waarlangs lucht uit de zak wordt gezogen.

Aanzuigslang / externe slang — Slang om lucht uit containers, wijnstoppers of speciale adapters te zuigen.

Aerobe bacteriën — Bacteriën die zuurstof nodig hebben. Vacuüm remt ze, maar stopt ze niet altijd.

Anaerobe bacteriën — Bacteriën die zonder zuurstof kunnen groeien. Daarom blijft koelen/vriezen en Hygiëne cruciaal bij Vacuümverpakken.

Automatisch vacuüm-stop — Functie waarbij de machine stopt met vacuumeren zodra een ingestelde vacuümwaarde of tijd is bereikt.

Aroma-Oxidatie — Smaak- en geurverlies door contact met zuurstof. Vacuüm verlaagt dit, maar sluit het niet altijd 100% uit.

B

Backflow / terugslag — Terugstromen van vloeistof/vocht richting de pomp. Kan schade of storing geven; voorkom met technieken voor Natte producten.

Barrièrelaag — Laag in folie (bijv. EVOH) die zuurstof beter tegenhoudt. Belangrijk voor Houdbaarheid en tegen Vriesbrand.

Bederf — Achteruitgang van voedsel door micro-organismen, enzymen en oxidatie. Vacuüm vertraagt vooral oxidatie en uitdroging, maar vervangt koelen niet.

Bewaartijd — Richtlijn hoelang je iets veilig en lekker kunt bewaren (koelkast/vriezer). Afhankelijk van product, temperatuur en hygiëne.

Botbeschermer (bone guard) — Extra laagje folie/gaas om puntige botten of scherpe randen te beschermen tegen doorprikken.

BPA — Chemische stof die in sommige kunststoffen kan voorkomen. Veel food-grade zakken/containers zijn BPA-vrij; check productinfo.

Buitenvacuümmachine (extern) — Machine die de zak open aan de buitenkant vacuumeert en daarna sealt. Meest gangbaar thuis.

C

Chamber sealer / kamer vacuümmachine — Machine die de hele zak in een vacuümkamer plaatst. Geschikt voor vochtige/vloeibare producten en levert vaak een sterker vacuüm.

Clip / sluitclip — Mechanisch hulpmiddel om een zak tijdelijk dicht te maken. Geen vervanging voor sealen.

Condens — Vocht dat neerslaat als je warm voedsel inpakt. Kan sealproblemen geven en vergroot bederfrisico. Laat eten eerst afkoelen.

Container / vacuümcontainer — Herbruikbare bak of doos waar je met een Ventiel lucht uit zuigt. Handig voor kwetsbare producten.

Cross-contaminatie — Kruisbesmetting: bacteriën overbrengen van rauw naar gaar of van vies naar schoon. Vacuüm maakt dit niet ‘veilig’—hygiëne blijft leidend.

Cyclustijd — Tijd voor één volledige cyclus (vacuumeren + sealen). Relevant als je veel zakken achter elkaar doet.

D

Delicate / zacht vacuüm — Stand waarbij de machine minder hard zuigt. Handig voor kwetsbare of luchtige producten.

Dubbele Lasnaad — Twee seal-lijnen achter elkaar voor extra zekerheid tegen Lekken.

Duty cycle — Hoe lang een machine achter elkaar mag draaien voordat hij moet afkoelen (bijv. 2 min aan, 8 min uit). Belangrijk bij veel zakken achter elkaar.

Droogstand (dry) — Instelling voor droge producten. Vaak kortere sealtijd en agressiever vacuüm dan de ‘moist’ stand.

Drip tray / opvangbak — Opvangbakje voor vocht dat uit de zak meegezogen wordt. Helpt de pomp beschermen.

Dry-aging zak (ademend) — Speciale zak voor rijpen van vlees: laat Waterdamp door maar beperkt zuurstof. Niet hetzelfde als standaard vacuümzakken.

E

Embossing / ribbelstructuur — Reliëfstructuur in zakken/rollen waardoor lucht makkelijker weg kan bij buitenvacuümmachines.

Enzymatische activiteit — Natuurlijke enzymen in voedsel die smaak/structuur veranderen. Vacuüm remt niet alles; temperatuur is vaak de grootste factor.

EVOH — Veelgebruikte barrièrelaag in meerlaagse folies. Verbetert zuurstofdichtheid.

Extra seal — Tweede seal-actie (handmatig of automatisch) om een extra lasnaad te maken.

F

FIFO — First In, First Out: eerst gebruiken wat het langst ligt. Simpel systeem om verspilling te verminderen.

Food grade — Geschikt voor direct contact met voedsel volgens regelgeving. Let ook op temperatuurgrenzen (vriezen, Sous-vide).

Vriesbrand — Uitdroging en oxidatie in de vriezer door lucht/ijs-kristallen. Vacuüm vermindert dit sterk, vooral met goede folie en weinig lucht.

Folie-krimp — Sommige folies trekken iets samen bij warmte. Kan effect hebben op seal-kwaliteit en presentatie.

G

Gasket / rubberen afdichting — Rubberen rand die de vacuümkamer of het deksel luchtdicht afsluit. Versleten gasket = minder vacuüm.

Gas flush / MAP — Vullen met gas (vaak stikstof/CO2) in plaats van vacuüm. Vooral professioneel; andere techniek dan thuis-vacuüm.

Gladde zak — Zak zonder ribbelstructuur. Werkt meestal alleen met kamer machines of nozzle-systemen, niet met standaard buitenmachines.

Gisting — Fermentatie waarbij gas ontstaat. In vacuümzak kan dit uitzetten; laat ruimte of gebruik geschikte methode.

H

Headspace (vrije ruimte) — Ruimte boven het product in de zak. Te weinig = rimpels/vocht in seal; te veel = verspilling en vouwen.

Houdbaarheid — Periode waarin voedsel veilig en van goede kwaliteit blijft. Vacuüm verlengt vaak kwaliteit, maar veiligheid hangt vooral van temperatuur en hygiëne af.

Hygiëne — Schoon werken (handen, messen, snijplank, Zakrand) om besmetting te beperken. De zakrand moet droog en schoon zijn om goed te sealen.

Hitte-seal — Afdichting door warmte en druk op de Sealbalk. Belangrijk: juiste tijd/temperatuur voor jouw folie.

Herbruikbare zak — Zak die je kunt wassen en opnieuw gebruiken. Let op hygiëne, materiaalgeschiktheid en of je machine ermee werkt.

I

Impulssealer — Sealmethode waarbij kortstondig warmte wordt gegeven (impuls) i.p.v. continu verwarmde balk. Veel gebruikt in sealmachines.

inHg (inch of mercury) — Drukeenheid die soms bij vacuüm wordt gebruikt. Alleen vergelijkbaar als dezelfde meetmethode wordt gebruikt.

Inlaatventiel — Ventiel dat lucht weer in de kamer of zak laat (bij kamer machines) om de zak makkelijk te verwijderen.

Indicator (vacuüm) — Lampje/waarde die aangeeft of de machine vacuüm trekt of een doelwaarde heeft bereikt. Niet altijd een echte meter.

K

Kamer vacuümmachine — Zie: Chamber sealer / kamer vacuümmachine.

Koelketen — Ononderbroken koeling van productie tot koelkast. Vacuüm compenseert geen onderbroken koelketen.

Kookvast (sous-vide geschikt) — Materiaal dat veilig is bij sous-vide temperaturen (meestal 50-90°C). Check altijd specificaties van zakken/rollen.

Krimpzak — Zak die na vacuüm en kort heet water ‘strak’ om het product krimpt. Vooral professioneel of bij presentatie.

L

Lasbreedte — Breedte van de seal-lijn. Breder = vaak iets robuuster, maar hangt ook af van folie en instelling.

Lasnaad — De seal-lijn die de zak dichtmaakt. Moet strak, gelijkmatig en zonder rimpels zijn.

Lekken — Lucht komt terug in de zak door een slechte seal, gaatje, scherpe rand of vervuilde zakrand.

LuchtinsluitingRestlucht in de zak door rimpels, te volle zak, verkeerd type zak of vocht in het kanaal.

Luchtpomp — Onderdeel dat lucht uit zak/kamer zuigt. Verschillende types (droogpomp, Oliepomp) met eigen onderhoud.

M

Marineerstand — Programma dat vacuüm in pulsen opbouwt om marinade sneller te laten intrekken. Werking verschilt per machine.

Marineren onder vacuüm — Techniek waarbij vacuüm helpt om marinade sneller in het product te trekken. Werkt het best met structuur/poriën en tijd.

Micron — Zie: µm / micron. Micron (µm): Een maateenheid voor de dikte van vacuümzakken. Hoe hoger het aantal micron, hoe sterker de zak en hoe beter de bescherming tegen vriesbrand en scheuren door scherpe producten.

Moist stand (vochtig) — Instelling voor natte producten. Vaak langere sealtijd om een goede las te krijgen als de rand iets vochtig is.

Meerlaagse folie — Folie opgebouwd uit meerdere kunststoffen (bijv. PA/PE + EVOH) om sterkte en barrière te combineren.

N

Natte producten — Vochtige of vloeibare voeding (soep, saus, sappig vlees). Risico: vocht in seal of pomp. Gebruik ‘vochtig vacumeren’ technieken of kamer machine.

Nozzle / snorkel (professioneel) — Professionele methode waarbij een nozzle lucht uit een zak trekt. Niet hetzelfde als standaard thuis-machines.

O

Onderdruk — Negatieve druk t.o.v. buitenlucht. Vacuüm is in feite een vorm van onderdruk.

Oliepomp — Pomp in veel kamer machines. Vereist olie, onderhoud en soms oliewissel; levert vaak sterk vacuüm.

Oxidatie — Chemische reactie met zuurstof die smaak, kleur en vitamines aantast. Vacuüm verlaagt zuurstof en vertraagt oxidatie.

Oververhitting — Als de machine te lang achter elkaar draait of te heet sealt. Kan leiden tot slecht vacuüm, smeltende zakrand of foutmeldingen.

P

PA/PE — Veelvoorkomende combinatie in vacuümfolie: PA (sterkte/barrière) + PE (sealbaarheid).

PE (polyethyleen) — Kunststof die goed sealt en vaak de binnenlaag van vacuümfolie vormt.

PA (polyamide/nylon) — Kunststof die sterkte en (gedeeltelijke) barrière geeft. Vaak in meerlaagse vacuümfolie.

PP (polypropyleen) — Kunststof met hogere hittebestendigheid dan PE. Soms gebruikt voor sous-vide of speciale toepassingen.

PET — Kunststof die vooral in harde verpakkingen of barrière-structuren voorkomt; minder typisch als seallaag.

Pompvermogen — Indicatie van hoe snel/sterk een machine lucht kan wegzuigen (vaak in L/min). Belangrijk bij grotere zakken of veel werk achter elkaar.

Pulse / handmatig vacuüm — Functie waarmee je in korte pulsen vacuüm trekt. Ideaal bij delicate of vochtige producten.

Pre-seal — Eerst een zak op maat sealen (bij rol), daarna vullen en vacuumeren/sealen.

Poreus product — Product met veel lucht/poriën (brood, cake, champignons). Kan snel ‘plat’ trekken; gebruik delicate/pulse of containers.

Portiegrootte — Hoeveel je per zak verpakt. Kleinere porties koelen sneller en beperken onnodig open/dicht.

R

Ribbelzak — Zak met embossing/structuur voor buitenvacuümmachines.

Rollen (folierollen) — Folie op rol waarmee je zelf zaklengte snijdt. Handig voor verschillende formaten; vraagt rechte snede en goede seal.

Restlucht — Lucht die achterblijft in de zak door rimpels, seal-problemen of verkeerde zak.

Rimpels in de seal — Vouwen in de zakrand tijdens sealen. Grote oorzaak van lekkage. Oplossing: zak recht, genoeg headspace, rand droog.

S

Seal-only — Stand waarbij je alleen sealt zonder vacuüm te trekken. Handig om zakken op maat te maken of iets tijdelijk dicht te zetten.

Sealbalk — Verwarmde balk die de lasnaad maakt. Moet schoon zijn; te veel kruimels/vocht = slechte seal.

Seal wire / sealdraad — Verwarmingsdraad (bij sommige systemen) die de seal maakt. Versleten draad of teflon kan slechte seals geven.

Sealtijd / seal-instelling — Instelling voor hoe lang er geseald wordt. Te kort = lek; te lang = smelten/rimpels.

Sous-vide — Garen in een waterbad op gecontroleerde temperatuur, vaak in vacuümzak. Let op food-safety en zakgeschiktheid.

Smeltpunt (folie) — Temperatuur waarbij folie vervormt. Te lange sealtijd kan de rand laten smelten en de seal verzwakken.

Snijmes (rolhouder) — Mesje in rolhouder om folie recht af te snijden. Scheve snede = lastig sealen.

Schimmel — Groei op voedsel door schimmelsporen. Vacuüm remt niet alles; koelen en droog werken blijft nodig.

Slangpoort — Aansluiting op de machine waar je de externe slang op klikt.

T

Teflon strip / teflon tape — Hittebestendige beschermlaag over de sealbalk. Versleten/gescheurd teflon = plakken, verbranden of slechte seal.

Temperatuurzone (gevaarzone) — Temperatuurbereik waarin bacteriën snel groeien. Koel snel terug en houd producten koud; vacuüm maakt dit niet ‘veilig’.

Thermoplast — Kunststof die zacht wordt bij warmte en daardoor geseald kan worden.

Terugslagklep — Klep die terugstromen van lucht/vocht helpt voorkomen. Niet elke machine heeft dit even goed.

U

Uitgassen / degassing — Lucht die uit een product vrijkomt na vacumeren (bijv. poreuze of warme producten). Kan het vacuüm ‘losser’ laten lijken.

Uitlekken — Vloeistof die naar de sealrand loopt tijdens vacumeren. Oplossing: vries aan, gebruik keukenpapier-barrière, pulse of kamer machine.

Uitharden (seal) — Korte tijd na sealen waarin de las afkoelt en ‘zet’. Trek niet meteen hard aan de zak.

V

Vacuümgraad — Hoeveel lucht/druk je verwijdert. Hoger vacuüm = lagere druk = minder zuurstof in de verpakking.

Vacuümsensor — Sensor die (bij sommige machines) meet of er genoeg vacuüm is of of de cyclus klaar is.

Vacuümtijd — Tijd die de machine zuigt voordat hij sealt. Te kort = restlucht; te lang bij natte producten = vochtproblemen.

Vacuümverpakken — Lucht verwijderen en verpakking sealen om oxidatie en uitdroging te verminderen.

Ventiel — Klep/ventiel op containers of herbruikbare zakken waarmee je lucht kunt wegzuigen (en soms weer kunt toelaten).

Vochtig/vloeibaar vacumeren — Techniek(en) om natte producten te vacumeren zonder de pomp of seal te saboteren (pulse, voorvriezen, kamer machine).

Vrieslabel — Labelen met datum/inhoud. Saai maar effectief: scheelt voedselverspilling en zoekwerk.

W

Waterdamp — Vocht dat bij warm voedsel verdampt. Warm inpakken geeft condens en kan sealproblemen geven; laat eerst afkoelen.

Waterverplaatsingsmethode — Alternatief zonder machine: zak (bijna) dicht en onder water duwen zodat water de lucht eruit drukt, dan sluiten. Niet voor lange houdbaarheid.

Workflow — Standaard werkwijze (portioneren, koelen, vacumeren, labelen, invriezen) om consistent resultaat te krijgen.

Wijnstopper (vacuüm) — Accessoire waarmee je lucht uit (bepaalde) flessen kunt zuigen. Niet hetzelfde als vacuümverpakken van voedsel.

Z

Zakbreedte / zaklengte — Formaat van de zak. Te krap = slechte seal; te ruim = verspilling en meer kans op vouwen.

Zakdikte — Dikte van de zak (micron). Dikkere zakken zijn sterker en minder gevoelig voor lekken bij scherpe producten.

Zakmateriaal — Combinatie van kunststoffen die bepaalt hoe goed de zak sealt, hoe sterk hij is en hoe goed hij zuurstof tegenhoudt.

Zakrand — Bovenste deel van de zak dat over de sealbalk ligt. Moet schoon, droog en zonder vouw zijn.

Zijdelingse plooi (gusset) — Zak met zijvouwen zodat er meer volume in kan zonder extreem breed te worden.

Zip / sluitstrip — Hersluitbare sluiting (zoals diepvrieszak). Niet luchtdicht genoeg voor vacuüm; vaak extra vacuümventiel nodig.

Zuurstofbarrière — Mate waarin folie zuurstof tegenhoudt. Belangrijk tegen oxidatie en vriesbrand; varieert per materiaal.

Zuurstofabsorber — Zakje dat zuurstof bindt. Soms gebruikt bij droge producten; niet altijd nodig en niet standaard bij vacuümzakken.

Vacuumsealers.nl
Logo
Vergelijk items
  • Totaal (0)
Vergelijken
0